maandag 6 oktober 2008

Doe eens 'n grunbergje: 'Muis'


‘Ik hou van beschadigde mensen. Mensen waaraan iets schort, waaraan iets kapot is. Ja, ik val op ze, op de beschadigde mensen. Zeg me, ben jij toevallig ook geen beschadigde mens?’
Ik keek de jongen even verbaasd aan. Zijn lange bochtige haren ontsproten zijn benige gezicht als goud garen.
‘Eu, ik weet het niet’, antwoordde ik.
‘Volgens mij wel. Volgens mij ben jij een beschadigde mens.’
‘Nou, als je dat echt wilt.’
Terwijl de jongen van zijn rode wijn nipte, knipperden zijn ogen als op hol geslagen vlindertjes.
‘Mijn probleem is mijn melancholie’, kondigde hij aan nadat hij zijn glas wijn voorzichtig – zo voorzichtig had ik nog nooit iemand zijn glas wijn op tafel zien terugzetten – op de tafel had teruggezet.
‘Aha.’
‘Die is namelijk veel te groot, die melancholie van mij.’
‘Ja, dat komt veel voor naar het schijnt’, zei ik, en ik inspecteerde de hygiënische hoedanigheid van mijn nagels.
‘Iedereen noemt me Muis, of soms ook wel eens Veldmuis, omdat ik zo schuw ben.’
Ik keek op van mijn nagels, en bestudeerde het gezicht van de jongen. Er liepen twee nerveus getrokken lijnen langs weerzijden van zijn mooie rode lippen.
‘Bijnamen zijn leuk’, zei ik.
Toen keek de jongen me ‘doordringend’ aan. Tenminste, dat was toch de bedoeling. Hij probeerde me ‘doordringend’ aan te kijken. Dat probeerden de mensen wel vaker. Velen waren geroepen, slechts weinigen uitverkoren. Het ‘doordringend’ aankijken was een moeilijke discipline.
‘Noem me alsjeblieft Muis’, zei de jongen, terwijl hij bleef proberen me ‘doordringend’ aan te kijken.
‘Oké, Muis’, antwoordde ik.
Toen stak hij zijn tong in mijn mond. Het leek alsof hij mijn mond proper probeerde te lekken. Nadat hij zijn tong uit mijn mond had gehaald, zei hij: ‘We moeten toch een beetje van elkaars faciliteiten gebruik maken, nietwaar? Dat is eigenlijk het enige wat mensen met elkaar kunnen doen: een beetje van elkaars faciliteiten gebruik maken. Meer niet.’
Vervolgens graaide hij in m’n broek, en greep m’n piemel snoeihard vast.
‘Het enige wat ik wil is een beetje van je faciliteiten gebruik maken. Dat is alles. Toen ik je zag lopen, wist ik het meteen. Daar gaat een beschadigde mens, dacht ik, daar gaat een beschadigde mens. En daarom wil ik je troosten. Troosten door een beetje van je faciliteiten gebruik te maken’, fluisterde hij hijgerig in m’n oor.
‘Dat is voorwaar een zeer nobele aangelegenheid’, mompelde ik, en voelde hoe m’n broek vakkundig werd afgestroopt.
‘Pas op dat je je glas wijn niet omverstoot’, waarschuwde ik.
‘De beschadigde mens is mijn missie’, zei de Muis.

Nadat de Muis gebruik had gemaakt van mijn faciliteiten, en onze lege wijnglazen naar de keuken gebracht had, begon hij plots te huilen. Tranen liepen als behoedzame regenwormen langs z’n wangen.
‘Ik ga door en door’, kermde hij, ‘Steeds leger en leger.’
Hij sprong op uit de sofa, en sprintte naar het toilet. Toen hij terugkwam waren z’n tranen verdwenen.
‘Sorry voor daarnet’, zei hij, ‘Ik had weer even last van mijn melancholie.’
‘Ja, dat dacht ik al’, zei ik.
‘Het komt en het gaat, zie je.’
‘Zoals eb en vloed.’
‘Contact met de beschadigden, daar kom je niet zonder kleerscheuren door.’
‘Nee, dat denk ik ook niet.’
‘Noem me toch alsjeblieft Muis.’
‘Oké, Muis.’

zondag 28 september 2008

Sexy Boy


‘Het nieuwe systeem heeft heel wat voordelen. De klanten staan er eerst wat wantrouwig tegenover, maar uiteindelijk is het merendeel tevreden. Zo’n Postpunt in een supermarkt is bijvoorbeeld vaker open dan een gewoon postkantoor. En daarbij, ruim zeventig procent van de oude dienstverlening wordt in zo’n Postpunt voorzien. Ik krijg wel eens klachten van burgemeesters, maar dat is eigenlijk gewoon symbolisch. Zo’n burgemeester moet dat natuurlijk doen om wat op de emoties van zijn kiezers te spelen. Zo’n burgemeester weet ook wel dat een Postpunt lang zo slecht niet is.’
‘Ja.’
‘Wat zei je?’
‘Ik zei: ja.’
‘Ja.’
Hij staat op en vraagt me wat ik drinken wil.
‘Ik heb rosé, chianti, bier, champagne, iets sterkers.’
‘Mmmmmmm, doe maar rosé, dat is lekker fris. Ik heb zin in iets lekker fris.’
Terwijl hij in de keuken aan de slag gaat, kijk ik het appartement nieuwsgierig rond. Hoe heet die psycholoog nu weer die beweert dat je iemands persoonlijkheid uit z’n interieur afleiden kunt? Anyway, ik probeer alles nauwkeurig in me op te nemen en er een psychologisch rapport mee samen te stellen. Ik zie boeken. Heel veel boeken. Vooral over politici. Ik sta op en slenter als een toerist langs de papieren bezienswaardigheden.
‘Fan van Margaret Thatcher?’, roep ik vragend naar de keuken, en ik staar de ijzeren dame even ijzig terug.
Met twee glazen rosé staat hij plots vlak achter me. Hij leunt iets te nadrukkelijk over m’n schouder, overhandigt me m’n glas en wrijvt me pseudo-nonchalant over m’n rug.
‘Hm?’
‘Fan van Margaret Thatcher?’
Hij begint te lachen. Alsof ik net een geweldige mop verteld heb.
‘Hahahaha, nee, ik ben gewoon geïnteresseerd in markante politieke figuren. Ik heb zelf lang in de politiek gezeten, weet je.’
‘Je reist ook graag, zie ik’, en ik wijs naar de vele souvenirs die nadrukkelijk souvenir staan te wezen.
‘Ja, klopt.’
En hij geeft me vervolgens een rondleiding die ons langs een Cubaans speelgoedautootje, een Aziatische schaduwpop en een miniatuur-Eiffeltoren brengt. Ik luister aandachtig en kijk geïnteresseerd.
‘Wil je iets anders op tv? Dat mag, hoor. We kijken naar wat jij wilt’, onderbreekt hij zijn toeristische uitleg plots.
‘Euh, nee, het is me gelijk.’
We gaan terug in de zetel zitten en kijken naar een lawaaierige tekenfilm. Een oranje vogel vliegt vrolijk zingend door de lucht. Ik denk aan een liedje van K.H. ‘A tourist in your head I capture shiny moments.’
‘Mooi hè’, zegt hij en hij legt een hand op m’n knie die daar als een dode muis liggen blijft.
‘Ja,’ antwoord ik, ‘dat hebben ze mooi gedaan.’
De rosé smaakt naar toiletwater, maar dat houd ik voor mezelf. Het heeft geen zin mensen onnodig met je eigen dreinerigheid op te zadelen. In plaats daarvan zeg ik: ‘Ik vind de rosé precies toch niet zo heel lekker.’
Hij springt meteen recht.
‘Wil je iets anders? Chianti, bier, champagne, iets sterkers?’
‘Mmmmm, champagne is wel lekker natuurlijk. Maar nogal decadent, nee?’
Hij is echter al richting keuken verdwenen voor ik goed en wel uitgesproken ben. Niet veel later hoor ik de karakteristieke koddige plof.
‘Zo’, zegt hij.
Het parelende, koude vocht vloeit als een onweerstaanbaar gif m’n lippen tegemoet.
‘Blijven vliegen, blijven vliegen, blijven vliegen’, zingt de oranje vogel intussen.
Inderdaad, denk ik, blijven, blijven, blijven.
‘Verdomme!’, roept de chagrijnige kerkuil die naast hem vliegt, ‘Nu zit ik met dat liedje in mijn hoofd!’
Een tweede hand is onderweg naar mijn schouder. Ik plan een tegenoffensief. Even later wrijf ik dunne, grauwe haren.

‘Er is nog wat champagne als je wilt.’
De bedovertrek doet me aan het afgestroopte vel van een zebra denken. Na een niet te versmaden hoeveelheid alcohol hebben de zwarte strepen een bijna hypnotiserend en desoriënterend effect op me.
‘Nee, dank je, dat is voor jou.’
Hij kruipt als een koalabeertje over me heen. Ik ben de tak waaraan hij zich vastgrijpt.
‘Dit is fijn’, zegt hij, ‘Dit is fijn.’
Aan de muur tegenover het bed hangt een immense spiegel. Ik kan mezelf als aangespoeld wrakhout zien liggen. Het koalabeertje frunnikt en friemelt. Even denk ik het krijsen van een zebra te horen.

Wanneer het haastige spel van de drift is uitgespeeld, springt hij van me af en verdwijnt. Ik ga rechtop zitten en sta oog in oog met een blote jongen. Hij kijkt me vragend aan. Lichtjes vragend. De woorden ‘ironische’ en ‘distantie’ duiken als verwarde vissen in me op.
‘Laat mij Elvira zijn’, mompel ik, ‘Laat mij gewoon een Elvira zijn.’
Voor het eerst sinds lang besef ik dat ik écht iemand ben. Op een bepaald ogenblik moet ik samengesmolten zijn met de halve gedachten en eentonige dagdromen die als mistige slierten in mij huizen. Op een bepaald ogenblik moet ik me afgekeerd hebben van de verantwoordelijkheid die een uiterlijk lichaam met zich meebrengt. Op een bepaald ogenblik heb ik besloten te vergeten.
‘Hier,’ zegt hij terwijl hij terug binnenkomt, en hij zwaait een blauw handdoekje in de lucht. Ik ga terug liggen, en laat me door hem schoonwrijven.
‘Wat gek’, zeg ik, ‘Zo’n handdoekje.’
Ik voel me een baby die na het baden wordt drooggewreven door de vader. Hij giechelt en beweegt z’n lippen naar me toe. Z’n ogen twee gelukzalige gekantelde komma’s.

Wanneer we onze naaktheid terug veilig achter lagen stof hebben verborgen, omhelst hij me andermaal.
‘Ik vond het heel leuk’, zegt hij, ‘Maar ik herhaal het nog eens. Je mag gerust blijven slapen.’
‘Nee, bedankt’, antwoord ik, ‘Ik moet morgen vroeg opstaan.’
‘Oké. Hoeveel hadden we nu weer afgesproken?’
Ik mompel haastig een bedrag. Hij haalt z’n portefeuille tevoorschijn en overhandigt me enkele briefjes.
‘Ik ben een hoer’, klinkt het door m’n hoofd, ‘Timmy de hoer. De hoer. De hoer.’
Weinig woorden zijn zo heerlijk om te denken en uit te spreken als ‘hoer’. Het is een smeuïg woord. Als een mondvol smeerkaas.
Terwijl hij me voor de zoveelste keer omhelst, werp ik een laatste blik op Margaret Thatcher. Misschien is het beter om gehaat te worden dan om helemaal niets te worden, bedenk ik me. Haat is intenser dan liefde. Het zijn de schurken die de nieuwe iconen zijn. Behalve moeder Theresa dan.
‘We moeten meer afspreken, hè, Timmy. Jij bent zo’n sexy boy!’
‘O, hou toch op’, zeg ik afwijzend.
‘Nee, echt waar! Jij bent zo’n verschrikkelijk sexy boy!’
Met priemende, autoritaire ogen bliksemt Margaret me dood. Misschien begint de ware intimidatie met een betonnen kapsel. De enige andere vrouw met een betonnen kapsel die ik gekend heb was al even onaantastbaar als Margaret. Een betonnen kapsel, het is een idee.
‘Wel thuis!’

Ik fiets zwalpend door de nacht. De champagne heeft me nog steeds in zijn tinkelende macht. Jongens en meisjes trekken door de straten, op zoek naar nachtelijk vertier.
‘Ik kom van mijn werk’, mompel ik tegen mezelf en schater het uit.
Een oude vrouw die haar poedeltje uitlaat kijkt me wantrouwig aan.
‘A tourist in your head I capture shiny moments’, klinkt het opnieuw door m’n hoofd. Ik ben een toerist, denk ik, een toerist in m’n eigen leven. Ik kom af en toe bij mezelf op vakantie. De rest van de tijd is het stil in mezelf. Stil en leeg.
‘Ik moet morgen wat spiegels gaan kopen’, zeg ik luidop.

zondag 14 september 2008

Sarah


Beste Sarah Palin,

Het zou me niet verbazen mocht u plots in een van de volgende afleveringen van Twin Peaks opduiken. U zou een prima personage in de door mij zo geliefde televisieserie zijn. Ik zie u als de jaloerse tante van Laura Palmer uw gevreesde entree maken, haat en onenigheid om u heen strooiend. Volgens mij hebt ú haar vermoord. Volgens mij bent ú Bob.

Wat u zo’n geschikt personage voor Twin Peaks maakt, is uw ‘larger-than-life-ness’. Er is iets aan uw uiterlijk dat niet klopt. Het opgestoken haar, het bibliothecaressebrilletje, de kneuterige mantelpakjes… Ik geloof het gewoon niet. Telkens ik u op het scherm zie verschijnen, verwacht ik dat u ieder moment uw glanzende, bruine haren bevrijd in het rond laat zwieren en uw brilletje de massa ingooit, alvorens lachend te roepen: ‘Gotcha!’ U lijkt niet echt, maar toch bent u het.

Wat mij tevens aan uw werkelijkheidsgehalte doet twijfelen, zijn uw uitspraken. Zo was het, aldus uzelve, de wil van God dat Amerika Irak binnenvallen zou. Zoiets doet mij altijd denken, vergeef mij, aan een kleuter die iets zegt à la ‘ik ben een kaboutertje tegengekomen, en dat zei me dat ik al de chocolaadjes moest opeten.’ Ik wil uw God niet met een kaboutertje vergelijken, - al kan een kaboutertje evenveel voor een kleuter betekenen als God voor een volwassene – maar begrijpt u waar ik heen wil? Ik zou naar buiten kunnen gaan, en de eerste de beste lelijke, dikke man die ik tegenkom een mes in de rug steken onder het mom ‘het is de wil van God, God wil geen lelijke, dikke mannen op zijn aarde rondlopen’. Maar dat verandert niets aan het feit dat ík en alleen maar ík verantwoordelijk ben voor de gepleegde moord. Het is laf om de verantwoordelijkheid voor de eigen daden op derden af te schuiven. Ronduit misdadig wordt het wanneer die derden ook nog eens van onzichtbare en zogezegd transcendente aard zijn. Weet u, ik zou normaalgezien heel hard moeten lachen om een uitspraak als de uwe, maar het lachen vergaat me wanneer ik me bedenk dat u zeer waarschijnlijk de volgende vicepresident van een der machtigste naties ter wereld wordt, en wie weet wel president – let’s face it, den John heeft zijn beste tijd gehad, die man is gewoon uitgeleefd. Als er iemand is waar de wereld niet op te wachten zat, dan bent ú het wel.

In het verleden heb ik vaak beweerd dat de wereld een veel betere plek zijn zou indien de vrouwen het voor het zeggen hadden. Een opinie die door mijn vader telkens huichelend in ontvangst genomen werd. ‘Ha!’, riep hij dan, ‘Vrouwen zijn minstens zo slecht als mannen, jongen, minstens zo slecht! Ik dacht vroeger ook dat alle vrouwen Maria waren, maar God, wat heb ik me vergist!’ Ik weet niet op basis van wat hij zich baseert, – wil ik ook niet weten, denk ik – maar sinds u op het toneel verschenen bent, moet ik mijn mening toch herzien. In De Morgen schreef een columnist vorige week dat hij, hoewel hij wist dat dat seksistisch is, machtige vrouwen nooit echt als vrouwen ziet, maar als mannen. Ikzelf zie machtige vrouwen niet zozeer als mannen, maar als SM-meesteressen. U zie ik als SM-meesteres. Hillary Clinton zie ik als SM-meesteres. Queen Elizabeth zie ik als SM-meesteres. En ga zo maar door. Behalve Angela Merkel dan misschien. In Angela Merkel zie ik helemaal niets. Angela is moe, denk ik, moe en onverschillig. Maar goed, we dwalen af, sorry daarvoor. Ik verwees even naar die columnist om aan te wijzen dat uw vrouwelijkheid een ‘very hot issue’ is. Na de bekendmaking van uw benoeming tot ‘running mate’, berichtten de nationale media weer heel subtiel over de mogelijke uitkomst van de Amerikaanse verkiezingen: ‘Amerika krijgt zijn eerste zwarte president OF (!) zijn eerste vrouwelijke vicepresident! (POWOWOW, HISTORY CALLING!!!!)’ Ik wil u het volgende advies meegeven: vertrouw nooit mensen die het voortdurend hebben over geschiedenis die geschreven wordt. Er zijn mensen die geen opstootje voorbij kunnen lopen zonder het idee dat er weer eens geschiedenis geschreven wordt. Er zijn mensen die gewoon gek worden als ze het gevoel hebben dat de geschiedenis hen andermaal aan het passeren is. Er zijn mensen, jawel, die menen dat er elke dag (!) geschiedenis geschreven wordt! Ja duh! Maar het spijt me, ik ben andermaal aan het afdwalen. Ik wilde u gewoon even wijzen op het gevaar van zulke mensen. Het zijn stuk voor stuk hysterische neurotici. Maar goed, ik wil het hier niet hebben over de al dan niet historische waarde van de komende Amerikaanse verkiezingen, maar over de kinderlijke manier waarop daarover bericht wordt in de media. Ik vind het, echt waar, bedroevend dat journalisten maar niet raken uitgepraat over Obama’s zwart-zijn en uw eigen vrouw-zijn. Misschien moet u maar eens een boycot overwegen. Een mediaboycot. Misschien moet u Barack maar eens opbellen. ‘Barackje, ben jij die stigmatisering ook zo beu? Ik kan het niet meer aan, Barackje! Zin in een stunt?’ Dat zou nog eens wat zijn, Obama en u die zich collectief tegen de media keren. Tuurlijk bent u een vrouw, het betekent namelijk dat u geen man bent, en ook ík bezondig mij aan een stereotiep man-vrouwdenken wanneer ik zeg dat de wereld er beter aan toe zou zijn onder een vrouwelijke heerschappij, maar in politiek doet het onderscheid man-vrouw er wel veel minder toe dan we zelf denken. Misschien is dat wat die columnist in De Morgen bedoelt als hij toegeeft dat machtige vrouwen hem aan mannen doen denken. Macht geeft mensen een specifieke uitstraling, die noch mannelijk noch vrouwelijk is. Misschien dat in de meeste culturen een machtige uitstraling eerder als een mannelijke eigenschap gezien wordt, maar dat is dan louter een kwestie van perceptie. Het lijkt wel of men maar niet gewend geraakt aan het beeld van een machtige vrouw. Ik zie machtige vrouwen dan misschien wel als SM-meesteressen, maar machtige mannen zie ik evengoed als pooiers. Medvedev en Poetin? Pooiers. Berlusconi? Pooier. Sarkozy? Pooier. Behalve Yves Leterme misschien. Die moet maar eens met Angela gaan praten.

Niet zo lieve Sarah, u bent uw hele leven al een populair meisje geweest. U bent als populair meisje ter wereld gekomen, als je het mij vraagt. U had op uw tweede ongetwijfeld al een fanclub. Alleen dat is reden genoeg om u compleet onuitstaanbaar te vinden. U was niet alleen Miss Wasilla en eerste eredame bij Miss Alaska, u schreeuwde uw high school basketbalteam de overwinning tegemoet en trouwde niemand minder dan de plaatselijke high school sweetheart, local hartenbreker numero uno. Van jongs af aan kreeg u schijnbaar alles waar u uw zinnen op zette. U weet niet wat het is om te mislukken, zo lijkt het wel. Dat moet u wel in uw geloof sterken. Iemand die nog nooit verloren heeft, houdt het na verloop van tijd niet meer voor mogelijk dat hij of zij überhaupt verliezen kan. Dat maakt u ook zo gevaarlijk. Voor je het weet, staat u de mensen te vertellen dat ook dat de wil van God is. Wel, ik hoop van harte dat uw oudste zoon een passionele affaire begint met Hillary Clinton, en dat uw jongste zoon homoseksueel blijkt te zijn. Als de dag daar is, sta ik met een regenboogvlaggetje voor uw deur te zwaaien en roep ik vrolijk: ‘Het is de wil van God!’ In het Engels dan wel.

Vertel me, wat is uw geheime plan? Giftige paddestoelen? Een overdosis spacecake? Een mes? Een pistool? Een touw? Of bent u van plan weer even Bob te worden? Arme John McCain. Zou hij beseffen dat hij met u het paard van Troje binnengehaald heeft? Een vrouw als u kent weinig gewetensbezwaren. Uw goddelijke doel heiligt de middelen.

Arme Sarah, ik geef u geen eerlijke kans, is het niet? Ik ken u enkel via de artikels die ik over u gelezen heb. U heeft geen flauw idee wie ik ben. Ik ben een van de miljarden zwarte stipjes aan de horizon. Het moet geen makkie zijn, hè, lieverd? Plots kijkt de hele wereld naar je. Zijn er geen momenten dat u zichzelf even, heel even, toe, vervloekt? Had u deze storm echt kunnen voorzien? Zou u niet veel liever over de toendra in Alaska zwerven, jagend op een zoveelste eland? Zou u niet veel liever juryvoorzitster van Miss Wasilla zijn? Zou u niet veel liever vrij zijn? Uw vrijheid voor de veiligheid van onze wereld. Een mooie deal, nee?

Wij zien elkaar binnenkort nog, Sarah. Ik ga me nu alvast een regenboogvlaggetje aanschaffen.

God bless you,

H, een zwart stipje aan de horizon

vrijdag 22 augustus 2008

Noord-Ierland



















































dinsdag 5 augustus 2008

Wonderen vragen veel geduld


Een diepe zucht wervelde haar keel uit. Het was de hitte. Gedeeltelijk. Gedeeltelijk ook niet.
‘Te warm?’, vroeg haar man, ‘Ja, ik ook.'
Ook hij liet op zijn beurt een diepe zucht.
‘Nee,’ jammerde ze, ‘dat is het niet.'
‘Nee?’
‘Nee.’
De man staarde verbaasd naar de geraniums. Alsof de geraniums zijn trouwe medeverbaasden waren. Met een dagelijkse hoeveelheid water verkreeg hij hun onvoorwaardelijke steun.
‘Ik maakte me daarnet de bedenking dat ik meer mensen zou moeten kennen, m’n lieve.’
Terwijl ze praatte, schudde ze haar glas martini nerveus in het rond. De ijsblokjes rinkelden als kralen in een juwelendoosje.
‘Meer mensen?’, herhaalde haar man verbaasd.
‘Ik ken niemand. Niemand! Dat is niet goed. Dat kan niet goed zijn. Ik zou meer mensen moeten kennen.'
Ze zette haar glas martini terug op de tuintafel, alvorens het na enkele seconden al opnieuw vast te grijpen en terug in het rond te schudden.
‘Waarom zou je meer mensen moeten kennen?’, vroeg haar man retorisch, ‘Mensen vallen over het algemeen tegen. Geloof me. Trouwens, wie zegt dat je geen mensen kent? Je kent mij toch? En je moeder, en je broer, en je broer z’n vrouw, je schoonzus met andere woorden. En je collega’s niet te vergeten. Je kent meer mensen dan je zelf denkt, Nicole. Nee, ik zou absoluut niet weten waarom je meer mensen zou moeten kennen. Teveel mensen is vermoeiend. Ze zeggen wel eens dat je nooit vrienden genoeg kunt hebben, maar dat vind ik je reinste onzin. Je moet wel een beetje het overzicht kunnen behouden. En mensen zijn over het algemeen saai, Nicole, ondraaglijk saai. Over alles hebben ze een mening, over alles. En dan moet je met hen in discussie gaan, en zo, en dan moet jij A zeggen, en dan zeggen zij B, maar eigenlijk weet je allang wat B is, wat het extra saai maakt. Nee, Nicole, ik zou echt niet weten waarom je meer mensen zou willen of moeten kennen.’
Met een flinke slok van z’n bier beëindigde hij zijn monoloog. Nicole had intussen een ijsblokje uit haar martini gehaald en het in haar mond gestopt. Knarsend kauwde ze erop.
‘Nwou jaaw’, murmelde ze, waarna ze het ijsblokje als de transparante pit van een wintervrucht terug haar glas in spuwde, ‘Nou ja, ik denk dat het belangrijk is om veel mensen te kennen. Belangrijk voor je public relations en zo. Belangrijk om ergens te komen in je leven.’
‘Public relations?’, hoonde haar man, en hij begon te lachen, ‘Public relations zegt ze! Nicole, het leven is geen wedstrijd.’
Nicole keek op haar beurt naar de geraniums. De roosrode bloemblaadjes begonnen langzaam te verdorren. De strijd tegen de hitte was bloederig.
‘We moeten iets aan de geraniums doen, Peter. De zomer is nog lang.’
‘Het leven is geen wedstrijd, schat! Meer mensen gaan jou niet gelukkig maken. Zeker niet als je ze als instrumenten in een pr-machine gebruiken wilt. Pr! Nicole, je bent een doodgewone bediende! Wat heb jij nu pr nodig?’
‘Ik heb het niet over m’n professionele leven. Ik heb het over…m’n leven. Ik wil een groter netwerk. Een groter spinnenweb. Ik wil meer mensen die bij me blijven plakken, die me gezelschap houden, die me verhalen vertellen, verhalen over dingen waar ik amper iets van weet. Ik wil meer van de wereld weten. Ik wil…minder eenzaam zijn.’
Ze dronk haar glas in één bruuske teug leeg.
‘Zo,’ zei ze naar adem happend, ‘het is eruit.’
Haar man stond op en liep langzaam naar de betonnen bloembak. Hij boog door z’n knieën en streek met z’n vingers liefdevol door de geraniums. Hij aaide hen als waren het kleine kinderhoofdjes.
‘Je voelt je dus eenzaam? Is dat het?’
‘Een beetje’, antwoordde Nicole aarzelend.
‘Tja,’ mompelde hij, terwijl hij de geraniums geconcentreerd bleef strelen, ‘dan moet je daar iets aan veranderen.’
Nicole keek naar de stevige wielrennersbenen van haar man.
‘Nog een martini?’, vroeg hij.
‘Graag.’

De volgende dagen verdiepte Nicole zich op aanraden van haar man in de communicatieve mogelijkheden van het internet.
‘Probeer wat te chatten’, had hij gezegd, ‘Via internet geraak je gemakkelijk in gesprek met de mensen.’
Terwijl Peter ’s avonds naar de samenvattingen van de Tour de France keek, probeerde Nicole in contact te komen met de buitenwereld.
‘En?’, vroeg haar man na een week. Ze zaten weer op hun terras. Zij met een glas witte wijn. Hij met een glas rode wijn.
‘Ja,’ antwoordde ze, ‘het gaat goed. Ik ben volop aan het chatten met Radijsje 007.’
‘Radijsje 007?’
‘Ja, grappig, hè’, zei ze giechelend.
‘Ja, best wel’, zei haar man en hij begon op zijn beurt te giechelen. Wel vijf minuten lang zaten ze daar samen te giechelen om Radijsje 007.
‘Serieus nu’, kreunde Peter, terwijl hij de tranen uit z’n ooghoeken wreef, ‘Hoe zit het met dat Radijsje?’
‘Radijsje 007 is alleenstaande moeder van drie. Haar man liet haar vier maanden geleden zitten voor een jongere vrouw. Sindsdien haat ze mannen, álle mannen. Haar hobby’s zijn tv kijken, lezen en bloemen plukken. Al heeft ze wel bijzonder weinig tijd voor die hobby’s, met drie van die kleine bengels.’
‘Ja, dat kan ik geloven.’
‘Ze heeft een slechte relatie met haar moeder, maar dat komt door vroeger. Haar politieke overtuiging houdt ze liever voor zichzelf, maar ze verzekerde me dat ze niet voor extreem-rechtse partijen stemt. Haar lievelingsgerecht is witloof met hesp en kaassaus en haar grootste droom is om ooit eens met dolfijnen te zwemmen.’
‘O nee’, zuchtte Peter, ‘Weer iemand die met dolfijnen wil zwemmen!’
‘Ja,’ zuchtte Nicole, ‘ik weet het. Erg hè.’
‘Er zijn weinig mensen waar ik zo’n hekel aan heb als aan zij die met de dolfijnen willen zwemmen.’
‘Peter!’
‘Ik zweer het! Voor mijn part zouden ze alle mensen die met dolfijnen willen zwemmen op een grote brandstapel mogen gooien.’
Nicole begon te giechelen.
‘Als je dan toch zo nodig van iets wilt dromen, droom dan van relevante dingen. Zoals de liefde van je leven vinden of een mooie carrière.’
‘Radijsje 007 omschrijft zichzelf eerder als een romantische ziel. De romantiek is voor haar een vlucht van de dagdagelijkse beslommeringen en de al even dagdagelijkse existentiële vraagstukken.’
‘Het is verdorie een denkertje’, spotte Peter.
‘Jaha,’ beaamde Nicole, ‘en ze zou ook heel graag eens een boek schrijven. Om haar gedachten aan de wereld kenbaar te maken. Ze gaat er binnenkort een schrijfcursus voor volgen.’
‘O nee! Mensen die een boek willen schrijven zijn mogelijk nog erger dan mensen die met de dolfijnen willen zwemmen. God, wat lopen er toch veel mensen rond die een boek willen schrijven! Denken ze nu echt dat hun gedachten zo bijzonder zijn? Weet je waar ik bewondering voor heb, Nicole? Voor mensen die dapper genoeg zijn om gewoon te leven. Mensen die hun tijd niet verspillen aan al dat tekstuele gemasturbeer. Op de brandstapel met die aspirant-schrijvers!’
Nicole schaterde het uit. Ze verslikte zich daarbij haast in haar witte wijn.
‘Nog iets dat ik over Radijsje 007 moet weten?’, vroeg haar man, nadat ze uitgehoest was.
‘Nee,’ antwoordde ze, ‘dat is voorlopig alles.’
Samen keken ze naar hun geraniums. Als Maria en Jozef waakten ze over de betonnen bloembak.
‘Ze komen erdoor’, mompelde Nicole.
‘Ze komen erdoor’, beaamde Peter.

Terwijl de zomer zichzelf in snel tempo opbrandde, sprak Nicole vanachter haar computerscherm de wijde wereld tegemoet. Ze praatte met een depressieve zakenman uit Tokio, een dolverliefd tienermeisje uit Austin, een werkloze klusjesman uit Belgrado en een enthousiaste cybergranny uit Leeds. Vanuit haar toetsenbord toverde ze woorden van troost, begrip en nieuwsgierigheid tevoorschijn. Gretig, haast gulzig, hoorde ze haar kosmopolitische gesprekspartners uit. Er immer voor zorgend slechts minuscuul kleine stukjes van zichzelf te openbaren. Iedere zondagavond, wanneer ze samen met Peter van de woede van de week probeerde te bekomen op het kleine maar voor hen paradijselijke terras, vertelde ze hem over de dromen, de obsessies, de angsten en de passies van mensen over de hele wereld. Peter voorzag haar relaas telkens weer van cynisch commentaar, en zij, zij schaterde het iedere keer weer uit, en riep gespeeld verontwaardigd: ‘Peter!’

De zomer zuchtte haar laatste zuchten, toen hij haar op een van die zondagvonden voorzichtig vroeg: ‘En, m’n lieve, voel je je al iets minder eenzaam?’
‘Dat gaat’, antwoordde ze aarzelend, ‘Dat gaat.’
Ze keek haar sangria in. Met een lange cocktaillepel duwde ze stukjes fruit tot op de bodem van het glas.
‘Goed’, zei haar man, ‘Goed zo.’
‘Het is niet zo dat je meteen wonderen kunt verwachten’, voegde Nicole daar nog aan toe.
‘Nee,’ zei Peter, ‘wonderen vragen veel geduld.’
Boven hun hoofden fladderde een vleermuiskoppel neurotisch rondjes. De geur van geroosterd barbecuevlees flirtte met hun neusgaten.
‘Kijk’, zei Nicole, en ze wees naar de bloembak. Peter stond op en boog zich over wat restte van hun geraniums. Nicole volgde hem en legde haar rechterhand op z’n rug.
‘Het is gedaan’, zuchtte Peter.
‘Het is gedaan’, zuchtte Nicole.
Terwijl het maanlicht hen als een gigantische toneellamp belichtte, namen ze elkaar teder in de armen. Ze hielden zich aan elkaar vast als pasgeboren muisjes in een nest. Alsof ze het nooit warm genoeg zouden krijgen.

dinsdag 29 juli 2008

Nieuwe Grunberg op komst


Arnon Grunberg blijft sneller dan zijn eigen schaduw schrijven. In september verschijnt zijn nieuwe, 550 pagina's dikke roman 'Onze oom' bij Lebowski Publications. Voor de tweede maal in zijn carrière - eerder verscheen 'De joodse messias' bij Vassallucci - maakt Grunberg een uitstapje naar een andere uitgeverij. (Zijn vaste uitgeverij is Nijgh & Van Ditmar.) Op de site van Lebowski Publications wordt de plot van de nieuwe roman al gedeeltelijk ontsluierd:

'Lina is de ‘dochter’ van Anthony, een tot majoor opgeklommen verkenner, die er noodgedwongen zijn specialiteit van heeft gemaakt ‘verdachte individuen’ te arresteren. Maar waar haar leeftijdgenootjes door hun eigen vaders zijn verwekt, daar heeft Lina haar leven te danken aan het feit dat de anders zo plichtsgetrouwe majoor na het laten vermoorden van haar ouders – resultaat van een noodlottige operatie – heeft besloten het meisje te sparen. Majoor Anthony wil zijn wellustige vrouw Paloma verrassen met de kant-en-klare dochter van iemand anders.

Tot verbazing van de majoor blijkt Paloma not amused.

Lina gaat – terwijl de majoor elders in het land een andere, eveneens noodlottige operatie leidt – op zoek naar haar biologische ouders, maar wordt tijdens haar zoektocht ongewild ingelijfd door de rebellen: na een terloopse bevruchting, schenkt ze de rebellenleider een kind…'

Bron: http://www.lebowskipublishers.nl/result_titel.asp?Id=85&IdA=43&IdA2=&IdA3=.

Verder wordt 'Onze oom' omschreven als 'een meedogenloze roman over de idee geboren te kunnen worden door niet te sterven, en te baren door niet te moorden.'

'Onze oom' wordt in september in het Belgische Eupen voorgesteld. Grunberg verklaarde vorig jaar zich voorgoed uit het openbare Nederlandse literaire leven terug te trekken na een openlijke vete met A.F.Th. van der Heijden. Op Belgische bodem verschijnt hij gelukkig wél nog in zijn hoedanigheid als literator.

Stay tuned voor het persoonlijke verdict over 'Onze oom' van uw ondergetekende verslaggever!

Hiëronymus

maandag 28 juli 2008

Een spectaculaire schipbreuk


Beste Yann Martel,

Nu de zomerloomheid mij stevig in z’n zweterige greep heeft, grijp ik met nog meer plezier dan anders naar een goed boek. Uw gelauwerde ‘Life of Pi’ bleek het perfecte vakantievertelsel: origineel, goed geschreven, niet te zwaar en spannend. Op smakelijk sadistische wijze laat u uw hoofdpersonage, de zestienjarige Indische puber Pi Patel, 258 pagina’s lang op een reddingssloep op de Indische Oceaan drijven. En dat in het vrolijke gezelschap van een imposante Bengaalse tijger. En het gekke is: hij overleeft het nog ook. Uw spectaculaire fabel kan niet echt waarschijnlijk genoemd worden. In die onwaarschijnlijkheid echter zit ook meteen de schoonheid van uw roman. Want schoon is ie, die roman van u.

Over het schrijven van ‘Life of Pi’ vertelde u in een interview: ‘I was sort of looking for a story, not only with a small ‘s’ but sort of with a capital ‘S’ – something that would direct my life.’ Als een moderne, oceanische tegenhanger van Robinson Crusoë dobbert Pi 227 dagen tussen twee continenten. Hij is menselijker dan Crusoë. In tegenstelling tot de stoïcijnse Engelsman ondergaat Pi wél alle mogelijke emoties. Bovendien is zijn eiland gereduceerd tot een extreem kleine drijvende oppervlakte. Het is de ultieme overlevingsstrijd. Om de Bengaalse tijger de baas te blijven spreidt hij een ongekende inventiviteit tentoon. Paradoxaal genoeg is het net dankzij de tijger dat hij overleeft. De voortdurende angst en zorg voor Richard Parker, zoals de tijger in kwestie heet, heeft een onverwacht weldadig neveneffect. Het bevrijdt hem van het denken, van het treuren, van het reflecteren. Hij is te druk bezig met het van zich afhouden van de tijger om de hopeloosheid van zijn situatie al te diep te verkennen. Op een bepaald moment roept hij de tijger dan ook extatisch toe: ‘I love you! (…) Truly I do. I love you, Richard Parker. If I didn’t have you now, I don’t know what I would do. I don’t think I would make it. No, I wouldn’t. I would die of hopelessness.’ Ik vind het prachtig hoe u de gevaarlijke maar levensnoodzakelijke verhouding tussen mens en tijger uitwerkt. Misschien is het daarom dat mensen elkaar voortdurend de duvel aandoen, moest ik tijdens het lezen denken. Misschien is het daarom dat mensen ruzie maken en oorlog voeren en elkaar voortdurend tot antagonisten in een zelfverzonnen intrige maken. Omdat ze anders teveel zouden gedoemd zijn tot zichzelf en hun eigen duistere en beangstigende innerlijkheid. Het is de strijd die mensen voortstuwt. Het is het conflict dat mensen van hun eigen demonen bevrijdt. Het is met wapens, verbaal of fysiek, dat mensen de banaliteit en saaiheid van het bestaan proberen te verdrijven. Het is tegen zichzelf dat ze vechten. We maken hierbij handig gebruik van onze medemensen, die we gemakkelijkheidhalve tot pionnen op het kartonnen bord van ons zelf uitgevonden spel reduceren. We noemen het ‘leven’ en praten er met uitgestreken gezichten en ernstige stemmen over, maar eigenlijk bedoelen we ‘rollenspel’. Wat de door u uitgewerkte strijd tussen tijger en mens daarvan doet verschillen, is de pure dierlijkheid van de helft uwer cast. Pi beantwoordt die pure dierlijkheid met ratio, met verstand, maar evengoed met dierlijkheid.

Pi slacht werkelijk alles af waar hij zijn hand op kan leggen. Zeeschildpadden, haaien, vliegende vissen, zeevogels, dorado’s: ze worden allemaal uitgemoord. Uw beschrijvingen van deze bloederige slachtpartijtjes bezitten een griezelige maar oogverblindende schoonheid. De gulzigheid, de honger, het lijden worden met warm zeebeestenbloed gesust. Van de overgebleven schildpaddenschilden maakt hij een hoornen tent. Het is deze creatieve en tegelijk primitieve wil tot overleven die uw roman zo mooi maakt. Het is de ultieme strijd tegen de elementen: de verschroeiende zon, de dreigende oceaan, de woeste wind. En toch is het mooi, schitterend, prachtig. Net omdat het zo ultiem is. Pi vertelt over de walvissen die hem komen groeten, over de dolfijnen die hem gezelschap houden, over de stormen die hem bijna het leven kosten, over de machtsstrijd met de tijger, over de honger, de kou, de hitte, de vissen, de constipatie, de stank, het bloed.

Beste mijnheer Martel, uw roman deed mij verlangen naar een groots avontuur. U prikkelde niet alleen mijn verbeelding, maar ook mijn verlangen naar een spectaculairder leven. Bij momenten wenste ik zelf in het gezelschap van een Bengaalse tijger op de Indische Oceaan te dobberen. Het leven dat het mijne is bevindt zich al te vaak in een loom-lauwe comfort zone. Uw boek vertelt inderdaad een verhaal met een grote V. Die grote V spookt nu nog steeds door mijn hoofd. Het is niet voor iedereen weggelegd om van zijn of haar leven een verhaal met een grote V te maken. Daarom is het goed dat er boeken zoals dat van u bestaan. Om zelf even een verhaal met een grote V van dichtbij te beleven. Om ons terug aan het dromen te krijgen over luchtkastelen en gevallen sterren. Om ons terug aan het denken te zetten over onszelf en ons eigen leven. Om ons terug bewust te worden van ons oorspronkelijke en meest ultieme verlangen. Ik uit bij deze mijn wens ook nog eens een spectaculaire schipbreuk mee te maken. Dat we allemaal een spectaculaire schipbreuk mogen meemaken, in welke vorm of gedaante dan ook. Dat we mogen voelen dat we leven.

Ik groet u,

Hiëronymus

woensdag 16 juli 2008

Vuile lakens


Hij sluit zijn ogen en zucht: ‘Ik denk dat ik droom.’
Terwijl ik m’n handen op z’n borst afdruk, proest ik het uit. Ik schater. Ik hoon.
‘Waarom lach je?’, vraagt hij.
Ik beantwoord zijn vraag met nog meer geschater, nog meer gehoon. Hij opent zijn ogen en kijkt me verrukt aan. De idioot begint mee te lachen.
‘Wat ben je grappig’, giechelt hij.
Ik draai m’n pupillen als dobbelstenen in het rond. M’n ogen twee miezerige spelbekers. Het is in mijn blik dat mijn pech staat af te lezen.
‘Huhuhuhu,’ gaat zijn mond, ‘huhuhu.’
Met een agressieve kus stil ik zijn gelach. Ik slijm zijn mond toe.
‘Stilte’, denk ik, ‘Ik wil stilte.’
De smaak van zijn tong herinnert me aan zijn leeftijd. Ik voel zijn oude mannenlichaam onder het mijne spartelen en denk aan de dood. Ik wrijf over zijn kalende kopje en voel me jonger en machtiger dan ooit.
‘Ik kom, ik kom’, jammert hij al snel. Ik laat me van z’n logge lijf glijden en kijk naar de rillende man op m’n bed. Ik leg m’n hand op z’n gefronste voorhoofd. Ik ben de echtgenoot die wacht op de komst van het kind. De bompa baart witte, slijmerige duiveltjes. Gemuteerde snottebellen. Hij kreunt en steunt. Al snel is zijn onderbuik bedolven onder melkerig kikkerdril. Een deel belandt op m’n lakens.
‘Snorry’, murmelt hij, terwijl hij me liefdevol door de haren streelt. Met tissues veeg ik hem schoon.
‘Heb je nog wijn?’, vraagt hij.
‘Nee,’ antwoord ik, ‘De oogst is mislukt.’
Dat is wat mijn moeder ooit tegen me zei tijdens een van onze vele ruzies: ‘Jij bent mijn mislukte oogst.’
‘O, Timmy, wat ben je toch een leukerd’, giechelt de oude man.
‘En nu weg’, zeg ik streng.
‘Timmy!’
Als een hond in het asiel staart hij me zielig aan.
‘Je wederhelft wacht op je.’
‘Mijn wederhelft wacht op de komst van Jezus, niet op mij.’
‘Weg zeg ik.’
Mopperend staat hij op. Hij gaat voor me staan. Ik trommel op zijn behaarde buikje. Hij giechelt.
‘God, wat ben je vet’, fluister ik.
‘Hoe denk je er zelf uit te zien op mijn leeftijd.’
‘Ik zorg er wel voor dat ik op tijd dood ben.’
Ik probeer mezelf ziek te maken. ’s Nachts in bed beeld ik me in dat ik kankers kweek. Als waren het plantjes. Alsof het gewoon een kwestie van concentratie is. ‘Als ik me maar hard genoeg concentreer, lukt het wel.’
‘Wat ben je toch een eigenaardige jongen’, kreunt de oude man.
Terwijl hij zich aankleedt, steek ik een sigaret op.
‘Ik heb er toch van genoten’, verkondigt hij ernstig.
‘Goed zo.’

Wanneer de oude man in zijn glanzende blauwe wagen weggereden is, haal ik een nieuwe fles wijn tevoorschijn.
‘Mon amour’, fluister ik.
Ik ga onder de douche staan en giet de fles langzaam over me heen. Ik reinig mezelf met zoet geel vocht. Wanneer de fles leeg is, zuig ik m’n eigen huid droog. Ik lik m’n eigen lijfje af.

’s Nachts in bed ruik ik hoe het oude mannetje in m’n lakens zit. Het is een muffe, duffe geur. De geur van vochtige paddestoelen. Van schijnheilige schimmel. Ik voel hoe korsterig opgedroogde spermavlekken m’n beddengoed als tijdelijke tatoeages ontsieren. Ik grijp m’n knuffelbeer wat steviger vast en rol mezelf in foetushouding op.

‘We zijn thuis, Timmy!’, hoor ik m’n moeder de volgende ochtend roepen. Ik sta verward op en loop de trap naar beneden af. M’n vader en moeder sleuren met koffers en rugzakken.
‘Daar is ie!’, roept m’n vader opgewonden.
‘Jongen,’ onderbreekt m’n moeder hem meteen, ‘Rome is prachtig! Pra-chtig!’
‘Heb je je niet teveel verveeld?’, wil mijn vader weten.
‘Valt wel mee.’
‘En ons hotel was schitterend! Schi-tterend!’
‘Hier!’, zegt m’n vader en hij stopt me een fles witte Italiaanse wijn in de handen.
‘Die wijn hebben we in Rome gedronken’, vertelt m’n moeder, ‘En hij is heerlijk! Heer-lijk!’
‘Bedankt’, zeg ik.
‘Heb je je niet teveel verveeld, m’n jongen? Zo zonder ons?’
‘Valt wel mee, heb ik al gezegd.’
‘Goed. Goed zo’, zegt m’n vader.

Op mijn kamer drink ik de fles Italiaanse wijn in een halfuur leeg. Ik ga naakt op het tapijt liggen en begin m’n schaamharen uit te trekken. Een voor een. Als was het onkruid. Ik denk aan R. 'Hij houdt van me, hij houdt niet van me, hij houdt van me...' Een vlieg strijkt op m’n schouder neer en zoent me zuigend zachtjes. Ik staar naar het plafond en zie de barsten die als donkere aders over het witgeplaasterde oppervlak kronkelen. Ik staar naar het plafond en voel absoluut niets.

woensdag 2 juli 2008

Weekend


Dunya werd wakker met een prikkende keel.
‘Ik ga dood’, was het eerste wat slaperig door haar hoofd sluimerde. Ze zette zich moeizaam overeind en keek haar kamer rond. Op de vloer lagen sokken, reisgidsen en zakdoekjes. Het glas op haar nachtkastje was zo leeg als maar kon zijn.
‘Verdomme!’
In de keuken vond ze een halflege fles rode porto. Ze twijfelde even, maar nam uiteindelijk toch enkele grote slokken van het mierzoete drankje.

Bladerend door haar reisgidsen bracht ze de ochtend door. Om kwart na elf schonk ze zichzelf een glas rode porto in.
‘Ik moet eigenlijk iets anders drinken’, zei ze luidop, maar ze bleef gewoon zitten. Om twintig voor twaalf ging de deurbel.
‘Dag Isa’, begroette ze Isa.
‘Dag Dunya’, begroette Isa.
‘Hoe gaat het, Isa?’
‘Slecht, ik kweek kankers als kolen.’
Isa zette haar statement meteen met luid gehoest kracht bij.
‘O, ga je op reis?’, vroeg ze nadat ze uitgehoest was, en ze bladerde een van Dunya’s reisgidsen door.
‘Ik? Nee, hoor. Ik ga nergens heen.’
‘Waarom lees je dan reisgidsen?’
‘O, ik probeer een beetje over de wereld te leren.’
‘Aha.’
Dunya zag Isa verveeld naar foto’s van de Sagrada Família en het Park Guëll staren.
‘Ja,’ zei Isa, ‘Mooi. Heb je iets te drinken voor me?’
‘Alleen porto.’
‘Een glaasje porto dan.’
Dunya stond op en goot een glaasje porto in voor haar vriendin.
‘En plannen voor het weekend?’, vroeg ze terwijl ze Isa van porto voorzag.
‘Goh, met het mannetje op resto vanavond. Verder niets bijzonders. Misschien morgen wat cultuur. Cultuur is alweer lang geleden.’
Isa dronk haar glaasje porto in vier grote slokken leeg.
‘Lekker. Maar hoe zit het eigenlijk bij jou in de liefde?’
‘O, ik ben momenteel even low profile’, antwoordde Dunya.
‘Jij bent al je hele leven low profile als je het mij vraagt, kind.’
‘Dat is niet lief, Isa.’
‘Ik ben je vriendin. Ik moet in de eerste plaats eerlijk zijn. Maar goed, ik ben eens door. De was zal nu wel klaar zijn. En op het mannetje hoef ik niet te rekenen om die op te hangen. Bedankt voor de porto, liefje. En geniet van het weekend. Tada!’
Dunya liet Isa uit en begon vervolgens aan de afwas van de afgelopen week.

Tegen kwart voor twee kreeg Dunya honger. Ze verliet haar appartement en slenterde naar het supermarktje om de hoek. Ze kocht een bus slagroom, een stokbrood en een nieuwe fles rode porto. Onderweg naar huis knabbelde ze de helft van het stokbrood naar binnen.
‘Stokbrood is het lekkerste wat er bestaat’, dacht ze. Thuis liet ze zichzelf in de zetel vallen en keek wat naar het tennis op tv. Met rode porto spoelde ze de stokbroodkruimels uit haar mond weg. Ze zag en hoorde atletische mannen kreunen en meppen alsof hun leven ervan afhing. Voor de grap begon ze mee te kreunen.‘Uh’, kreunde ze. En: ‘Oeh.’ En: ‘Ah.’ De kleinste van de twee tennissers kreunde het hardst. Hij kreunde alsof hij ieder ogenblik dood neer kon vallen. Zijn grotere tegenstander kreunde meer binnensmonds. En zo lag Dunya mee te kreunen. Nu eens luid en uitgeput, dan weer gedempt en rustiger. Na verloop van tijd, terwijl ze daar kreunend op de zetel lag, begon ze haar pyjamabroek ter hoogte van haar kruis langzaam te strelen. ‘Uh’, kreunde ze, en ze stopte haar rechterhand haar slipje in. ‘Ah’, kreunde ze, en ze masseerde haar onderlichaam met stevige knepen. ‘Oeh’, keunde ze, en ze viel extatisch achterover. Net op dat moment rinkelde de telefoon.
‘Dag mama’, murmelde ze nog half verrukt de hoorn in.
‘Dag kindje. Hoe gaat het?’
‘Goed, hoor. Blij dat het weekend is. Het was een saaie week.’
‘Plannen?’
‘Goh, wat opruimen en rommelen, denk ik.’
‘Als je wilt, kun je morgenmiddag bij ons komen eten. Je broer, Sara en de kinderen komen ook.’
‘Goh’, deed Dunya alsof ze nadacht, ‘Isa vroeg me vanochtend om bij haar te komen eten morgen. Een andere keer dan maar.’
‘Ook goed’, antwoordde haar moeder, ‘Dag kind.’
‘Dag mama.’

Om vijf uur nam Dunya een bad. Ze dacht aan haar broer en zijn vreselijke gezin en voelde een enorme wrok opkomen.
‘Hij en zijn gezinnetje’, zei ze tegen haar badeendje, ‘Ik spuw erop.’
Ze vertelde het eendje over zijn vreselijke vrouw en over zijn al even vreselijke kinderen, en het eendje keek haar vrolijk lachend aan. Al snel vond ze een betere functie voor het diertje.
‘Ja’, kreunde ze, terwijl Eendje, zoals ze haar badeendje gedoopt had, zich een weg door haar schaamlippen baande, ‘Ja.’
Na afloop haalde ze het eendje weer uit haar lichaam en mompelde op kinderlijke wijze: ‘Jij bent een ondeugend eendje, hè, jaaaa, zo’n ondeugend eendje.’ Vervolgens smeet ze het eendje hard tegen de badkamervloer neer en liet zich zuchtend in het knisperende schuim wegzakken.
‘Ik wil niet’, zuchtte ze en het schuim at haar op.

Om zeven uur kreeg Dunya opnieuw honger. Ze opende de koelkast en zocht naar iets lekkers. Ze zag de bus slagroom staan, maar weerstond de drang. In plaats daarvan greep ze een rode paprika uit de groente-en-fruitla en sneed die in stukjes fijn. Met een kommetje paprika nestelde ze zich achter haar laptop. Ze controleerde haar mails en keek naar foto’s van de Reichstag, de Opéra Garnier en het Colosseum.

Om halfnegen kreeg ze zin om te wandelen. Ze stopte de bus slagroom en de fles porto in haar handtas en trok op pad door de stad. Ze strompelde door de nu lege winkelstraten en bleef geregeld gehypnotiseerd voor een etalage stilstaan. Ze belandde op een levendig terrasjesplein. In het midden van het plein stond een pronkerige fontein. Ze ging op de rand van de fontein zitten en keek naar de aan-en afvoer van terrasjesmensen. Ze bestudeerde de exotische drankjes die de opdienjongens-en-meisjes aan hun luidruchtige klanten serveerden en luisterde naar de opgezweepte kreten van voorbijgangers. Ze nam de fles rode porto uit haar handtas en nam enkele grote slokken. Nadat de fles geledigd was, liet ze het plein en zijn fontein achter zich. Ze liep het stadspark in en liet zich daar achter een struik op de grond vallen om naar de sterren te kijken.
‘Mooi’, zei ze en ze telde de gaten in het zwart. Ze haalde de bus slagroom uit haar handtas tevoorschijn en spoot haar mond helemaal vol.
‘Mooi’, murmelde ze met haar met crème gevulde mond, ‘Mooi.’
Ze keek naar de holten aan de hemel en voelde de holte in haar eigen hamerende hart. Slagroom droop langs haar wangen het gras tegemoet.
‘Hoe laat is het?’, dacht ze.

maandag 30 juni 2008

Berlijn


































woensdag 18 juni 2008

Monopoly


‘Ja! De Lippenslaan in Knokke! Dat is bij mij! Begin al maar te dokken, sweetie!’
Tandenknarsend overhandigt Elise haar echtgenoot een pakje fleurige bankbiljetten. Vervolgens neemt ze enkele grote slokken van haar Kriekje.
‘Ik ben je sweetie niet, Ronald, ik ben je sweetie niet’, snauwt ze hem lispelend toe.
‘Mijn beurt!’, juicht hij opgewonden, ‘En ik bouw op de Groenplaats twee hotels.’
Hij plaatst twee rode miniatuurhuisjes op het spelbord en giet z’n whiskeyglas nog wat bij.
‘I’m in the winning mood, baby. You better watch out!’
Elise slaat met haar vuist woest op tafel.
‘Voor de zoveelste keer: ik ben je baby niet! Misschien dat ik ooit even je baby ben geweest, maar dat is eeuwen geleden, Ronald, eeuwen geleden! En houd op met zo zelfgenoegzaam te zijn! Hier zit een tijgerin, Ronald, hier zit een tijgerin! En een tijgerin laat zich haar jong niet zomaar ontnemen!’
Giechelend klemt Ronald de dobbelstenen als kostbare edelstenen in z’n rechterhand. Voorovergebogen werpt hij ze in één korte, krachtige beweging op het spelbord.
‘Kans!’ roept hij luid, ‘Kans!’
‘Ja ja,’ roept Elise, ‘Ik ben niet doof.’
Ronald sluit zijn ogen en laat een diepe zucht. Hij probeert zich te concentreren.
‘Komaan!’, fluistert hij zichzelf toe.
Hij opent z’n ogen en neemt voorzichtig een kaartje van het roze stapeltje.
‘U bent tweede geworden in een schoonheidswedstrijd!’, leest hij luidop, ‘U ontvangt 200 frank!’
Elise slaat andermaal met haar vuist op tafel. Haar gezicht kleurt vuurrood.
‘Dat moet zowat de grap van de eeuw zijn’, hoont ze, ‘Jij, tweede in een schoonheidswedstrijd! Een schoonheidswedstrijd voor honden zeker! Jij, rotzak!’
Ze loopt van tafel weg en schenkt zich in de keuken een nieuw Kriekje in. Even stopt ze haar hoofd in de koelkast.
‘Je moet afkoelen, Elise’, spreekt ze zichzelf toe temidden van de yoghurtjes en de krabsla, ‘Je moet afkoelen. Dit helpt je immers niet.’
‘Geef je het al op?’, hoort ze Ronald vanuit de woonkamer roepen, ‘Geef je het al op?’ ‘Blijf zitten waar je zit, vuile hond die je bent!’, roept ze hem met haar hoofd nog steeds in de koelkast toe.
‘Je klinkt een beetje verkouden, liefje. Zie dat je niet ziek wordt en de strijd vroegtijdig moet staken.’
Elise bedenkt hoe zeer ze de man in de woonkamer haat. Zijn zelfgenoegzaamheid, zijn arrogantie, zijn flegmatieke houding ten opzichte van alles. Ze heeft haar jawoord aan een onuitstaanbare eikel gegeven, een ondoordringbare muur waarop alles terugketst. Maar ze zal hem breken, ze zal hem breken met hetgeen wat hem het dierbaarst is. Ze zal dit spelletje winnen. Het is nu of nooit.
‘Ik kom eraan!’, roept ze en ze haalt haar hoofd uit de koelkast. Ze stoot zich daarbij even tegen een bloemkool, maar herstelt zich snel. Ze heeft de beste jaren van haar leven niet voor niets aan een hond vergooid. Dit huwelijk mag geen dode muis blijken. Haar handen moeten gevulde handen zijn.
‘Ik kom eraan!’, roept ze nog eens en drinkt haar nieuwe Kriekje meteen voor de helft leeg.
Terug in de woonkamer giet Ronald zijn whiskeyglas ook net opnieuw vol. Elise grijpt de dobbelstenen vast en werpt ze met een weids gebaar over de tafel.
‘Het is Monopoly, hè lieverd, geen tennis’, mompelt Ronald.
‘O, hou toch je kop!’
Ze mag zeven plaatsen vooruit en belandt op haar eigen Kortrijkse Lange Steenstraat.
‘Heb jij even geluk dat je niet op de Grote Markt van Hasselt terecht bent gekomen’, kreunt Ronald teleurgesteld. Hij neemt een grote slok van zijn whiskey en begint vervaarlijk te hoesten.
‘Ja, na elf jaar ellende met jou heb ik eens eventjes geluk. Wat ben ik toch een zondagskind!’
‘Niet voor lang meer’, zegt Ronald en hij maakt zich meester van de dobbelstenen.
‘Ja!’, schreeuwt Elise, ‘De Grand Place in Mons! Dat is bij mij! Dat is bij mij!’
Ronald werpt zijn whiskeyglas gefrustreerd kapot tegen het parket. Er komen barsten in de muur, denkt Elise, er komen barsten.

Een uur later zitten Elise en Ronald nog steeds rond de eikenhouten tafel in de woonkamer. De whiskeyfles is leeg en Ronald is overgeschakeld op Baileys. Elise heeft een sixpack Kriekjes naast haar op tafel tentoongesteld. Het spel nadert zijn ontknoping. Ze zijn allebei zo goed als blut. Het hangt nu louter van het toeval af.
‘Een, twee, drie, vier, vijf plaatsen vooruit’, mompelt Ronald ernstig, terwijl hij zijn pion geconcentreerd over het spelbord beweegt.
‘Ga ogenblikkelijk naar de gevangenis’, leest Elise bijna huilend voor hem af.
‘Oef!’, steunt Ronald, ‘Oef!’
Hij plaatst zijn pion op het gevangenisvakje en leunt vervolgens ostentatief achterover. Hij legt z’n handen in z’n nek en werpt z’n armen naar achter.
‘Nou, schatje, speel maar. Speel de sterren maar van de hemel. Ik vind het hier wel lekker.’
Met tranen in haar ogen werpt Elise de dobbelstenen. Ze belandt op haar eigen eigendom. Ronald gooit vervolgens geen dubbelworp en blijft in de gevangenis zitten. ‘Nee!’, roept Elise. Ze werpt een zeven en moet een kaart van het algemeen fonds trekken. Voor ze dat doet, drinkt ze haar Kriekje leeg. Ze trekt een kaart en leest luidop: ‘U wordt aangeslagen voor straatgeld: 800 frank per huis, 2300 frank per hotel.’
Ronald springt ogenblikkelijk van zijn stoel op en begint in het rond te dansen.
‘Je bent blut!’, jubelt hij, ‘Je bent blut! Je hebt verloren, meid!’
Elise staart ongelovig naar het kaartje. Ze zegt geen woord.
‘Haha! Ik heb gewonnen! Ik heb gewoon gewonnen!’, roept Ronald euforisch. Hij draait de stop van de fles Baileys af en zuigt gulzig aan de flessenhals. Elise blijft ongelovig naar het kaartje staren. De woorden lijken niet tot haar door te dringen. Ze werpt een blik op het haar nog resterende geld en kijkt dan terug naar het kaartje.
‘Je weet wat dat betekent, Elise!’, zegt Ronald.
‘Nee’, antwoordt Elise.
‘Je weet wat dat betekent!’
‘Nee.’
‘Ik krijg het hoederecht!’
‘Nee!’, roept Elise hysterisch en in één furieuze krachtopwelling scheurt ze het hele spelbord in twee.
‘Het was ons beider idee, Elise. Het is te laat voor verzet nu.’
‘Nee!’, roept Elise en ze veegt alle pionnen, kaartjes en bankbiljetten in één woeste beweging van de tafel.
‘Lientje is voor mij. Face it.’
‘Nee!’, roept Elise en ze ontneemt hem zijn fles Baileys en gooit die op het parket kapot.
‘Ik ga Lientje wakker maken en ik ben weg. Ik kom morgen de spullen oppikken. Hopelijk ben je tegen dan wat bekomen.’
Elise loopt de kamer uit en verspert Ronald de toegang tot de trap naar de eerste verdieping.
‘Doe niet belachelijk, Elise. Afspraak is afspraak’, mompelt Ronald.
‘Afspraak is geen afspraak’, huilt Elise, ‘Ik ben de moeder!’
‘En ik de vader. Ja, zo ver was ik al.’
‘Lientje heeft haar moeder nodig! Meer dan haar vader!’
‘Kijk, Elise, er zijn twee mogelijkheden. Ik kan je een peer op je rotgezicht geven of je gaat vrijwillig uit de weg!’
Huilend stort Elise in elkaar. Als een ineengekrompen hoopje ellende ligt ze aan de voet van de trap, terwijl Ronald kordaat de treden bestijgt. Even later daalt hij de trap opnieuw af met hun dochtertje in z’n armen. Het meisje kijkt slaperig en verbaasd om zich heen. Ze heeft een pyjamaatje van K3 aan.
‘Lientje!’, roept Elise en ze krabbelt met moeite overeind, ‘Lientjehuhuhuhuh.’
‘Geef je nog even een kusje aan mama, Lientje?’, fluistert Ronald in Lientjes oor. Lientje buigt zich voorover en geeft Elise een dikke, natte zoen op haar rechterwang.
‘Je kunt haar toch zomaar niet van me afpakken!’, schreeuwt Elise. Lientje schrikt en begint te huilen.
‘Kijk nu wat je doet!’, bromt Ronald boos en hij klopt Lientje troostend op haar rugje, ‘Wat voor moeder ben jij eigenlijk! Kijk, we bespreken dit morgen allemaal. We denken dan wel een bezoekregeling uit. Lientje moet gaan slapen nu. Tot morgen.’
Voor Elise het goed en wel beseft is Ronald er met hun dochtertje vandoor. Ze hoort buiten een wagen starten en wegrijden. Ze is gestopt met huilen en gaat terug aan de voet van de trap liggen. Ze rolt zichzelf als een pasgeboren muisje op en blijft doodstil liggen. Ze denkt. Ze denkt aan hoe oud ze wel geworden is. Ze smeert zich nu al failliet aan hydraterende crèmes. Wat moet dat zijn als ze vijftig is? En ze denkt aan de stukjes los vel die onder haar bovenarmen beginnen verschijnen. En aan de uitdijende lachrimpeltjes rond haar ogen. Niet dat er voor haar veel te lachen valt. Dan herinnert ze zich haar dochtertje weer. Haar Lientje.
‘Ik haat Monopoly’, zegt ze luidop, ‘Ik háát het!’

zondag 15 juni 2008

Wannabe dinosaurussen


Lieve Willem,

Ik veroorloof me de vrijheid je voor het eerst Willem te noemen, en niet bompa, zoals ik dat de afgelopen eenentwintig jaar gedaan heb. Nu je verworden bent tot een brabbelend en huilend hoopje ellende vind ik dat het tijd is voor een gesprek van man tot man. Daar de hersencellen in jouw hoofd meedogenloos snel weggevreten worden als door een onverzadigbare worm, zend ik je het woord op deze manier.

Gisteren was ik bij je op visite. Waarschijnlijk ben je dat alweer lang vergeten. Maar toch was ik bij je. Gisteren. Al heb ik tevens ernstige twijfels of je je op het ogenblik zelf van mijn aanwezigheid bewust was. De vorige keer noemde je mij nog Charel, gisteren noemde je mij helemaal niets. ‘Kijk, moe, onze Charel is hier!’, mompelde je enkele weken geleden nog tegen je echtgenote. ‘Waar?’, riep die echtgenote verbaasd en ze keek wild om zich heen, ‘Waar? Waar?’ ‘Hij heeft het over mij, bomma’, fluisterde ik haar in het oor. ‘Aaaaaaaaaaaaa.’ Gisteren mocht ik zelfs geen Charel zijn. Je keek me verward aan. Je zocht. Je zocht. Je zocht. En vond niets.

Je was slaperig. Je zat onder de kalmeerpillen. Normaalgezien barst je om de vijf minuten in een huiveringwekkend walvisachtig gehuil uit, maar daar was je gisteren blijkbaar te moe voor. Ik weet niet of ik dat een opluchting moet vinden of niet. Je gehuil maakt me elke keer opnieuw doodsbang. Het is geen gehuil eigenlijk. Tranen komen er nooit bij te pas. Het zijn oerkreten. Jammerklachten uit de prehistorie. Het gezucht en gesteun van een enorm zeezoogdier. Het is een geluid dat me telkens in het diepst van mezelf ontzet en overhoopgooit. Het zijn momenten van pure onmacht. Ik zou alles willen doen om je uit je wanhoop en verdriet te sleuren, en het besef dat dat zelfs niet een klein beetje mogelijk is, maakt me kwaad. Voor troost is contact nodig. En in jouw hersenen zijn alle lijnen met de buitenwereld afgesloten. Je bent gevangen in jezelf. Het enige wat ik voor je kan doen is getuige zijn. Getuige van je steeds verder vorderende val in de stilte. Getuige van je iedere dag vermenigvuldigende verdwijnen.

En toch zie ik je misschien nog liever huilend en jankend dan suffend en sluimerend zoals gisteren. Ze proberen je met pillen nog meer weg te vegen. Ze proberen je nog meer uit te wissen. Alsof je alleen nog maar uit enkele vage potloodlijnen bestaat. Ze proberen je het zwijgen op te leggen, je de mond te snoeren. Je gehuil maakt een statement: ik ben hier. Ook al is het in een miezerige gedaante: ik ben hier. En jullie zullen het allemaal gehoord hebben. Tevergeefs. De pillen zijn sterker. De wetenschap zegeviert.

Het laatste wat voor je overblijft is het eten, denk ik soms. Je eet en drinkt nog altijd met veel smaak. Het is het enige waar je nog echt van genieten kunt. Wanneer we op bezoek komen, en je van een glas donkere Leffe voorzien, is dat glas na enkele slokken al leeg. Het eten slaagt in wat wij niet meer kunnen: doordringen. Gisteren probeerde ik met je te praten, maar je hoorde m’n vragen niet eens. Ik keek ongemakkelijk om me heen. Ik voer wel vaker conversaties met doofstommen, maar zij kunnen er tenminste iets aan doen. Zij spelen doofstomme, terwijl jij het écht bent.

Toen we je gisteren terugbrachten, had het verplegend personeel blijkbaar besloten om het wat gezellig te maken op de dementenafdeling. Frans Bauers ‘Heb je even voor mij?’ weergalmde wansmakelijk door het doodse dagverblijf. Het was een gemene grap. De dementen zaten als wassen poppen in hun zetels, terwijl een verpleegster vrolijk meeneuriede. Het leek een beeld uit een surreële arthousefilm. ‘Vandaag is het zaterdag 14 juni’ stond op een groot houten bord te lezen. ‘Hou je goed, hè, vader’, zei mijn vader. ‘Da weet ik ni’, antwoordde je onverwacht, ‘Da weet ik ni, zulle.’

Ik herken veel van mezelf in jou. Of herkende, beter gezegd. Het koppige, het schuchtere, het fatalistische. Maar ook het zachte, het minzame, het vredelievende. Voor je hersencellen als luchtbellen uit elkaar begonnen te spatten, was je een oude man die altijd in zijn hoekje van de zetel smakelijk en olijk zat te lachen om wat waarschijnlijk de dwaasheid van het bestaan was. Zo interpreteer ík jouw gelach toch. Het was een lichtjes honende, maar desondanks warme en zalvende lach. Ik hoop dat ik ook zo’n lachend oud mannetje als jij worden mag. Een mannetje dat langs de zijkant spottend en grappend een blik werpt op een wereld die niet langer de zijne is, een wereld die hij om eerlijk te zijn een grap vindt, een flauwe grap misschien, maar van het soort flauwe grappen dat je eigenlijk wel hilarisch vindt.

Er zijn momenten waarop ik me naast jou neer zou willen zetten, om samen op de dood te wachten. Momenten waarop ik me voorstel hoe we samen de duisternis in gaan, hoe we samen in de leegte verzinken. Het zijn zwakke momenten, ik geef het toe, maar als er al een rode draad in m’n leven zit, dan is het wel die van de zwakke momenten. Er zijn momenten waarop ik meen dat alles wat ik doe een maat voor niets is. Op die momenten denk ik aan jou. Aan hoe je in het tehuis de hele dag als een zombie op je afdeling rondslentert, aan hoe je als een wannabe dinosaurus prehistorische geluiden produceert, aan hoe je ’s nachts met touwen vastgebonden wordt, aan hoe de stront uit je lichaam stroomt zonder dat je het zelf doorhebt, aan de glazen blik waarmee je alles afstoot. Ik denk dan aan hoe jouw eenzaamheid door mijn bloed stroomt. Ik denk dan aan hoe jij je eenzaamheid aan mij doorgegeven hebt. Als eerbetoon produceer ik dan op mijn beurt prehistorische geluiden als een wannabe dinosaurus. Als eerbetoon ook besluit ik achteraf om net zo stoïcijns voort te leven als jij dat gedaan hebt. Met cement ging jij dagelijks de werkelijkheid te lijf. Met cement zal ook ik de werkelijkheid te lijf gaan.

Ik vraag me af of je de vogeltjes nog hoort. Vogeltjes waren eens jouw grote passie. Hoor je ze nog zingen door de tehuisramen heen? Misschien moet het verplegend personeel eens een plaat met vogeltjesgeluiden opzetten in plaats van Frans Bauer. Wie weet maakt het je wel rustiger. Wie weet dringen de vogeltjes wel door. Voor jou zat al het goede en mooie en heilige van deze wereld immers in de vogeltjes. Ik kan je niet volledig ongelijk geven. Ook ik raak daar meer en meer van overtuigd.

Lieve Willem, ik zal het kleine Willempje dat in mij zit zo koppig en stoïcijns mogelijk de toekomst in dragen. Ik zal voor jou praten nu je dat zelf niet meer kunt. Ik zal voor jou honend en zalvend tegelijk lachen. Ik zal voor jou naar de vogeltjes luisteren.

Kruisje op je voorhoofd en tot de volgende visite,

H.

zondag 8 juni 2008

Een esthetisch verantwoorde dode


‘Ik ben van plan jong te sterven.’
Ze zegt het heel gewoon. Zoals je ook kunt zeggen dat je van plan bent pannenkoeken te bakken of een namiddagje te gaan shoppen. Ze zegt het niet treurig. Niet dramatisch. Niet wanhopig. Ze zegt ‘ik ben van plan jong te sterven’ en nipt tevreden van haar espresso.
‘Hoezo?’, vraag ik, ‘Hoe bedoel je?’
Ze veegt haar lippen met een servetje af en denkt na.
‘Nu ja,’ zegt ze langzaam, ‘dat is mijn plan.’
Ik stop m’n koffielepeltje in m’n mond en bijt.
‘Ik wil een mooi, jong lijk zijn’, gaat ze verder, ‘Ik wil…’
‘Jong sterven? Noem jij dat een plan?’
‘Ik wil gewoon een heel mooi, jong lijk zijn. Ik wil eigenlijk het mooiste lijk ooit worden. Daar droom ik van. Ik wil dat als de mensen mijn lijk zien, ze tegen elkaar zeggen ‘o, wat een mooi lijk.’ Ik wil geen oud, verrimpeld, ineengezakt lijk zijn. Ik wil een esthetisch verantwoorde dode zijn.’
‘Je bent gek’, zeg ik, ‘Je bent stapelgek.’
Ze kijkt me met een warme, bezorgde blik aan.
‘Hoe kom je er op? Hoe kom je er in hemelsnaam op?’, vraag ik geïrriteerd.
Ze haalt haar schouders demonstratief op.
‘Het lijkt me gewoon leuk als de mensen dat over jouw lijk zeggen, dat het het mooiste lijk is dat ze al gezien hebben. Het is ook heel tragisch. Een mooi, jong lijk is tragisch.’
‘Wat ben ik blij dat je dat inziet’, zeg ik.
‘Ik wil dat als de mensen mijn oogverblindend mooie lijk zien ze zeggen ‘hoe tragisch!’’
Ze knabbelt even aan een koekje en legt het dan weer naast haar espressokopje.
‘En je schilderijen dan? En je moeder? En je poezen? Wat met hen?’
Ze legt haar rechterwijsvinger op haar lippen en kijkt mij nadenkend aan.
‘O, dat’, zegt ze na enkele seconden, ‘Dat is niets.’
‘Hoezo niets?’, vraag ik, terwijl ik met mijn koffielepeltje op tafel tik.
‘Nou ja, wat ik zeg. Dat is allemaal niets.’
Ik tik nog één keer met het lepeltje op tafel en laat het dan uit m’n vingers glijden.
‘Mae, je bent gek! Stapelgek!’, snauw ik. De vrouw aan het tafeltje naast ons kijkt mij even geschrokken aan. Ze heeft een kapsel in de vorm van een suikerspin.
‘Je bent nerveus’, zegt Mae, ‘Je bent een nerveuze jongen.’
Ik drink m’n kopje in één teug leeg en trek een grimas.
‘Je moet hulp zoeken. Professionele hulp’, zeg ik.
‘Nee dank je’, antwoordt ze, alsof ik haar een chocolaadje aanbied. En dan is het stil. We kijken allebei om ons heen. De vrouw met de suikerspin op haar hoofd eet een croque- monsieur. Ze kauwt verveeld. Dit is een fout café. Een fout café met foute mensen. Foute mensen met foute kapsels. De buurvrouw kauwt. De buurvrouw maalt. Ik hoor haar tanden op en neer gaan.
‘Dit is een fout café’, zeg ik.
‘Dit is een fout café, ja’, beaamt Mae.
Zoals kapsels en cafés fout kunnen zijn, zo kunnen levens dat ook.
‘Weet je waar ik zin in heb?’, vraagt Mae plots opgewekt.
‘In doodgaan?’
‘Neehee,’ zegt Mae, ‘in brood voederen aan de eendjes in het park.’

‘Eén brood alsjeblieft’, hoor ik Mae zeggen. Ze klinkt niet als iemand die een brood bestelt. Ze klinkt zoals kinderen klinken die bakkertje spelen.
‘Eén brood?’, herhaalt het tienermeisje achter de toonbank.
‘Ja, graag’, antwoordt Mae.
Het tienermeisje kijkt bedenkelijk.
‘We hebben heel veel verschillende soorten brood’, legt het meisje nadrukkelijk uit. Ze legt een klemtoon op ieder woord.
‘Rond brood, vierkant brood, grijs brood, wit brood, klein brood, groot brood, rozijnenbrood.’
Mae kijkt paniekerig naar de broden op hun rekken.
‘Het maakt niet zo uit. Het is maar voor de eendjes in het park, mevrouw’, antwoordt ze bedeesd.
‘De eendjes in het park?’, herhaalt het meisje met een scherpe stem. Dat is niet goed. Dat is duidelijk.
‘Ja, het doet er niet zoveel toe. Kiest u zelf maar’, zegt Mae.
Het meisje fronst haar wenkbrauwen en verdwijnt in een kamer achter de verkoopruimte. Mae en ik zwijgen. We zijn vol verwachting.
‘Ziezo’, mompelt het meisje wanneer ze terug voor ons staat. Ze overhandigt Mae een grote, witte plastic zak.
‘Brood’, zegt ze, ‘Oud brood.’

Even later zitten we aan de rand van de stadsparkvijver. We werpen kleine, fijn geknepen bolletjes brood het water in. Er is in de verste verte geen eendje te bespeuren, maar dat deert ons niet.
‘Ik ga voor de diepvries, denk ik’, mompelt Mae.
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik ga voor de diepvries’, herhaalt ze, ‘Om in een esthetisch verantwoorde dode te veranderen.’
Ik snuif aan m’n nagels. Ik ruik scampi.
‘Doe toch niet zo luguber.’
‘Ik doe niet luguber. Ik doe praktisch. Heb je al eens bevroren mensen gezien? Die zijn bijzonder mooi, dat kan ik je wel zeggen. Ze zien er adellijk uit. Adellijk, zeg ik je. Ik word een ijsprinses, Hiëronymus, ik word een ijsprinses.’
Er wandelt een bejaard mannetje voorbij. Nu ja, wandelen. Het mannetje strompelt voorbij.
‘Ging jij je niet aan een oud mannetje weggeven?’
‘O nee, dat is alweer lang geleden. Ik geef me aan helemaal niemand weg. Nè.’
Terwijl we koppig broodballetjes in een lege vijver blijven werpen, daalt de stilte over ons. In de verte klinken spelende kinderen. Een hommel cirkelt vermoeid om ons heen. En al die tijd denk ik aan Maria, aan haar getormenteerde blik en haar zilveren tranen.
‘Hoe gaat het nog met jou eigenlijk?’, vraagt Mae.
‘Goed. Ik heb pijn aan m’n rechteronderkaak tijdens het eten, maar ik mag niet klagen.’
De zon gaat langzaam onder. Het park wordt leger. Enkel de joggers blijven opduiken.
‘In mijn volgend leven begin ik ook te joggen.’
‘O, hou toch je mond.’

dinsdag 3 juni 2008

Wraak!


Beste Dinara Safina,

Met veel plezier zag ik u gisteren Maria Sharapova naar huis tennissen in de vierde ronde van Roland Garros. Het is blokperiode en eigenlijk hoor ik naarstig aan diverse examenpapers te sleutelen, maar een mens heeft zo zijn prioriteiten. Al verbaast het me dat ik op enkele dagen tijd weer helemaal tennisverslaafd geworden ben. Nu het vaderland onverwacht snel door het vertrek van zijn tennispronkstukken ontriefd is, had ik toch verwacht dat het al bij al domme balspelletje z’n betovering op mij een beetje verliezen zou. Driewerf helaas. Ik lijk meer betoverd dan ooit. Ik moet maar even een tennisballetje over een veld heen en weer zien vliegen, en ik blijf als gebrainwashed naar het scherm staren. M’n gedachten, als ik die al had, verkruimelen in het niets. Er is nog maar één vraag die relevant is: wie wint?

U heb ik altijd al graag zien spelen. Omdat u er altijd zo oververhit uitziet. U ziet eruit alsof u ieder moment iemand meedogenloos de kop in kunt slaan van colère. U ziet eruit als een vrouw die voortdurend de controle over alles lijkt te verliezen, een vrouw die het voortdurend niet meer weet. U speelt meer op wilskracht dan op talent. Of beter: u speelt meer op woede dan op iets anders. Mensen die meer op woede spelen dan op iets anders kunnen onder de juiste omstandigheden heel wat mededogen bij mij opwekken. In uw geval kunnen de omstandigheden niet juister zijn. Ik smul van uw rood aangeslagen aangezicht. Ik snoep van uw malcontente moordenaarsblik. Ik verlustig me in uw verbeten carnivorenmuil. Jazeker, ondergetekende is fan.

Volgens mij bent u buiten de tennisbaan een zeer lief en verlegen meisje. Van zodra u het tennisveld achter u laat, verandert u mijns inziens in een lammetje. Ik heb grote hoeveelheden foto’s van u gezien waarop u de camera schaapachtig toelacht. Het is telkens een schok, dat moet ik toegeven. Het contrast met de immer gefrustreerde tijgerin op de tennisbaan kan niet groter zijn. En toch begrijp ik u. Het tennis is uw uitlaatklep. Op het tennisveld wordt u wat u zou willen zijn in het dagelijkse leven: een tikkende tijdbom. In het tennis wordt het leven immers gereduceerd tot een bal waarop geklopt moet worden. Liefst zo hard en zo juist mogelijk. In het tennis slaat u terug. In het tennis bent u degene die het leven een pak slaag uitdeelt in plaats van omgekeerd. Tennis is wraak. Misschien is dat de reden waarom ik zelf ooit ben beginnen tennissen. Misschien ben ook ik beginnen tennissen om eindelijk eens terug te kunnen slaan. Als tiener sloeg ik zo hard op de bal als ik kon. Het liet me voorts onverschillig of hij binnen of buiten of tegen het net was, als ik maar eens lekker op iets kon slaan. Zelfs lammetjes hebben een niet te stuiten agressie in zichzelf. Vooral de lammetjes.

Dit zijn eentonige en toch vrolijke dagen. Ik kijk een halfuurtje tennis en ga vervolgens weer even een zoveelste alineaatje aan een zoveelste paper breien. Negen kansen op de tien trouwens dat dat alineaatje eindigt met het zinnetje: ‘Het is dus allemaal heel dubbelzinnig.’ Eigenlijk kun je al mijn papers perfect tot dit ene zinnetje reduceren. Alles is altijd heel dubbelzinnig. Ik vermoed dat ik als iemand een been van mij zou afhakken nog in staat zou zijn om te zeggen: ‘Akkoord, hij hakte misschien wel een been van me af, maar toch, het blijft allemaal heel dubbelzinnig.’ De dubbelzinnigheid is het bad waarin ik gemakkelijkheidshalve vertoef. Wegens gebrek aan beter.

Maar laat ons vooral de vrolijkheid niet uit het oog verliezen. Want zoals ik al zei: dit zijn vrolijke dagen. Zeker wanneer uw koddige kopje het ouderlijke televisiescherm weer eens komt ontsieren. Ik laat de in constructie zijnde paper spontaan verder vegeteren op mijn laptop en installeer me intern reeds juichend voor de televisie. Ik kijk hoe u zwoegend wraak neemt op het leven en kreunend ballen wegtimmert als waren het kogels. Wat u niet weet is dat ik met u meetimmer. Net als u sla ik ballen weg. In mijn hoofd weliswaar, maar toch. Het gebeurt dat ik ’s nachts slapeloos in bed lig en een eindeloze tennisrally in m’n hoofd laat afspelen. Ik stel me voor dat er een bal keer na keer op me afkomt en dat ik die keer na keer terugsla. Steeds harder, steeds roekelozer, steeds furieuzer. Mijn uithoudingsvermogen creëer ik paradoxaal genoeg ’s nachts aan. Ik lig niet wakker, ik werk aan mijn persoonlijke ontwikkeling. Persoonlijke ontwikkeling boven alles! (Nietwaar, engel Waldorf?)

Dat deze vrolijke dagen nog lang mogen duren. Er is een zekere lichtheid in mij gevaren. Een geniepige grijns siert m’n lippen. Ik giechel veel. U heeft daar zeker toe bijgedragen, beste Dinara. U en uw wraak. Uw wraak, die zoals elke wraak, bespottelijk en tevergeefs is, maar o zo zoet. Zo zoet.

Kusjes,

H.

zondag 25 mei 2008

De schaking van Maria


Liefste Mayflower,

Gisteren zaten we samen gezellig koffie te drinken. Als er iets is wat wij goed kunnen, dan is het wel gezellig koffie met elkaar drinken. Gisteren besloot je de gezelligheid echter plots te doorbreken. Ik kan je niet volledig ongelijk geven. Teveel gezelligheid is dodelijk voor het menselijke brein. Desalniettemin vond ik dat je wel heel bruusk te werk ging in het op stal zetten van die gezelligheid. Je roerde bedachtzaam door je koffie, legde je lepeltje naast je kopje en zei: ‘Ik denk dat ik mij aan een oud mannetje ga weggeven.’ Even dacht ik dat je een grapje maakte, dat je de aanzet tot een zoveelste nonsensgesprek gaf, – naast het gezellig met elkaar koffie drinken, zijn wij ook bijzonder goed in het voeren van nonsensgesprekken - maar de droevige blik in je ogen wees me op m’n vergissing.

‘Hoe bedoel je?’, vroeg ik. Je keek je koffie in. Je zag je eigen zwarte weerspiegeling. ‘Wat ik zeg, ik wil me aan een oud mannetje weggeven.’ Je zuchtte diep. ‘Nee,’ zei ik, ‘dat wil je helemaal niet. Je bent jong. Je bent mooi.’ ‘Toch wel, hoor, toch wel.’ Ik greep een extra speculaasje uit de tussen ons getroonde koekjesdoos en begon nerveus te kauwen. ‘En waarom zou je je niet aan een jong mannetje weggeven?’, vroeg ik met m’n mond plakkerig van speculaas, ‘Is het een seksuele fantasie of zo?’ Je staarde lusteloos voor je uit. ‘Nee’, antwoordde je, ‘Nee, het is geen seksuele fantasie. Ik wil me gewoon aan een oud mannetje weggeven.’ ‘Aha’, mompelde ik. Het was plots verbazend stil en ongezellig tussen ons. Even dacht ik dat je zou gaan huilen. ‘En waar denk je dat oude mannetje te vinden?’, verbrak ik de stilte. ‘O, ze lopen overal rond’, antwoordde je, ‘Ze liggen voor het oprapen. Nee, dat is het probleem niet.’ Ik verorberde nog drie speculaasjes en verdreef zo krakend en kruimelend de stilte. Je bleef de hele tijd droevig voor je uitstaren. De zon ging onder en het werd donker op m’n kamer.

Later op de avond gingen we wandelen. Om de speculaasjes wat sneller te verteren. Het regende, maar dat deerde ons niet. De gezelligheid was toch al lang uit ons gemoed geslopen. Ik leidde je naar het nog maar pas door mij ontdekte ‘gothic’ parkje. In dat parkje staat een dramatische Mariagrot. Met een prachtig Mariabeeld in. De kitschliefhebber in mij is smoorverliefd op dat beeld. Het is een ongewoon Mariabeeld. Ze draagt niet de typische maagdblauwe sluier, maar een witte sluier daarentegen. Met daaronder de suggestie van een pastelkleurig blauw kleed. Het is werkelijk een van de mooiere Mariabeelden die ik recentelijk mocht bewonderen. ‘Laten we de hooligan uithangen’, riep ik je toe, ‘Laten we haar ontvoeren!’ Maar jij sloeg geen acht op mijn woorden. Jouw aandacht werd volledig opgeslorpt door de met mos, varens en klimop bedekte stenen preekstoel die voor de grot uittorent. Driftig besteeg je de trappen en even later stond je theatraal op de preekstoel. Terwijl de regen op je neerstortte, spreidde je je armen en riep: ‘Lang leve de oude mannetjes! Lang leve mij!’ Ik keek paniekerig in het rond om me ervan te vergewissen dat niemand getuige was van je pathetische uitbarsting. Het weer, het tijdstip en het Eurovisiesongfestival maakten die kans klein, maar je kon nooit weten. Nadat je uitgeroepen was, bleef je nog even verdwaasd voor je uitstaren. Alsof je nadacht over wat je nog meer zou kunnen roepen. Blijkbaar viel je niets meer te binnen, want even later daalde je de preekstoel alweer af. Je strompelde mijn richting uit. ‘Was er iets?’, vroeg je, ‘Wilde je dat Mariabeeld ontvoeren?’ Ik keek naar Maria’s sereen door kaarslicht verlichte gelaat en voelde me emotioneel worden. ‘Dat kunnen we toch niet maken, Mae’, murmelde ik. ‘O jawel, dat kunnen we wel’, antwoordde jij. En voor ik het goed en wel besefte, klom je Maria langs de grillige grotwand tegemoet. ‘Komaan, help ook eens een handje!’, riep je. De dwingende toon waarop je me aansprak, liet me geen keuze.

Even later liepen wij met een levensgroot Mariabeeld tussen ons in door de straten van de stad. Ik, doodsbenauwd. Jij, pratend over oude mannetjes en meditatieboeken voor beginners. ‘Het komt erop aan niet te oordelen. Meditatie betekent niet oordelen. Je moet mededogen met je medemensen hebben. Zij kunnen er ook niet aan doen dat ze zo zijn.’ ‘Daarom dat je je aan een oud mannetje wilt weggeven zeker? Uit mededogen?’ ‘Ja,’ je dacht even na, ‘Misschien wel, ja.’

Op mijn kot aangekomen, plaatsten we Maria voor mijn houten schouw. Het was (en is) een prachtig gezicht. ‘Wat ga je nu met haar doen?’, vroeg je. ‘Niets’, antwoordde ik, ‘Ze staat daar mooi. Het ontroert me om naar haar te kijken.’ We staarden samen een paar seconden zwijgend naar Maria. ‘En ze past mooi bij mijn boeddha’, voegde ik daaraan toe. ‘Je gaat toch minstens eens aan haar borsten zitten, hoop ik’, doorbrak jij krassend de magie van het moment. Ik zuchtte. ‘Jij begrijpt niets van romantiek.' ‘Anyway, ik ga je laten. Morgen begint mijn zoektocht naar een oud mannetje. Ik kan maar beter vroeg gaan slapen.’ We gaven elkaar drie geroutineerde zoenen. ‘Veel succes met je queeste', wenste ik je nog toe.

Het is nu zondagavond en Maria staat nog altijd netjes op hetzelfde plekje. Ik heb theelichtjes aan haar voeten geplaatst en haar een zelfgemaakte kroon van madeliefjes op het hoofd gedrapeerd. Ik kijk haar glimlachend aan. Zij kijkt droevig terug. Voor een eerste ernstige diefstal kan dit tellen, vind ik. Er zijn weinigen die kunnen zeggen dat ze Maria, moeder van de Messias en maagd boven alle maagden, hebben kunnen schaken. Dank je, lieve Mae, ik had dit nooit zonder jou gedurfd. Ik hoop trouwens dat je inmiddels al een oud mannetje gevonden hebt waaraan je jezelf kunt weggeven. Als dat je gelukkiger maakt, mij ook dan. En als het jezelf weggeven aan een oud mannetje een groot succes blijkt te zijn, moet ik het misschien ook maar eens overwegen. Houd je me op de hoogte?

Liefs,

Hiëronymus